Dorpskerk Katwijk aan den Rijn

Zondagochtend 19 juli 2026 om 10 uur

Voorganger: ds. M. Roelofse

Organist: Julian Jonker

Orgelspel

Welkom & afkondigingen

Intochtslied Gezang 457: 1, 3 & 4 (staande)
1. Heilig, heilig, heilig! Heer, God almachtig,
vroeg in de morgen word' U ons lied gewijd.
Heilig, heilig, heilig! Liefdevol en machtig,
Drievuldig God, die één in wezen zijt.

3. Heilig, heilig, heilig! Gij gehuld in duister,
geen oog op aarde ziet U zoals Gij zijt.
Gij alleen zijt heilig, enig in uw luister,
één en al vuur en liefde en majesteit.

4. Heilig, heilig, heilig! Heer, God almachtig
hemel, zee en aarde verhoogt uw heerlijkheid.
Heilig, heilig, heilig! Liefdevol en machtig,
Drievuldig God, die één in wezen zijt.

Stil gebed – Votum & Groet (staande)

Thema “De alomtegenwoordigheid van God”

Kinderlied Marcel en Lydia Zimmer "U bent die U bent" (YT)

Kindermoment
het Kinderkerk-thema van deze zondag:
“De gelijkenis van de zaaier” (Matteüs 13: 1-9, 18-23)
De kinderen gaan naar de Younited kinderkerk

Wet van God

Psalm 130: 1, 2 & 3
1. Uit diepten van ellende
roep ik tot U, o Heer.
Gij kunt verlossing zenden,
ik werp voor U mij neer.
O Laat uw oor zich neigen
tot mij, tot mijn gebed.
Laat mij gehoor verkrijgen,
red mij, o Here, red!

2. Zoudt Gij indachtig wezen
al wat een mens misdeed,
wie zou nog kunnen leven
in al zijn angst en leed?
Maar Gij wilt ons vergeven,
Gij scheldt de schulden kwijt,
opdat wij zouden vrezen
uw goedertierenheid.

3. Ik heb mijn hoop gevestigd
op God den Heer die hoort.
Mijn hart, hoezeer onrustig,
wacht zijn verlossend woord.
Nog meer dan in de nachten
wachters het morgenlicht,
blijf ik, o Heer, verwachten
uw lichtend aangezicht.

Gebed

1e Bijbellezing Ezechiël 1: 1 t/m 14 (NBV21)
1 Op de vijfde dag van de vierde maand in het dertigste jaar, toen ik te midden van de ballingen bij het Kebarkanaal woonde, opende zich de hemel en kreeg ik een visioen van God. 2-3 (Op de vijfde dag van die maand, en wel in het vijfde jaar van koning Jojachins ballingschap, richtte de HEER zich tot de priester Ezechiël, de zoon van Buzi, in het land van de Chaldeeën, bij het Kebarkanaal. Daar werd hij door de hand van de HEER gegrepen.)
4 Dit is wat ik zag: een stormwind, komend uit het noorden, een grote gloeiende wolkenmassa, een vuur van bliksemflitsen. Daar middenin zag ik iets dat glansde als wit goud. 5 In het midden van het vuur zag ik iets dat leek op een viertal wezens. Zo zagen ze eruit: ze leken op mensen 6 maar ze hadden elk vier gezichten en vier vleugels. 7Hun benen waren recht en hun voeten, die blonken als gepolijst brons, leken op de hoeven van een kalf. 8 Aan hun vier zijden, onder hun vleugels, zag ik mensenhanden. De gezichten en vleugels van de vier wezens zagen er zo uit: 9 hun vleugels raakten elkaar, en omdat ze aan elke kant een gezicht hadden, hoefden de vier wezens zich niet om te draaien als ze zich voortbewogen. 10 Hun gezichten leken van voren op het gezicht van een mens en van rechts op de muil van een leeuw, van links op de kop van een stier en van achteren op de bek van een adelaar. 11 Dat waren hun gezichten. Twee van hun vleugels waren naar boven uitgespreid en raakten die van de wezens aan weerszijden, en met de andere twee bedekten ze hun lichaam. 12 Elk van de wezens bewoog zich recht vooruit, waarheen de geest van God hen ook maar dreef, en ze hoefden zich, waarheen ze ook gingen, niet om te draaien. 13 Ze zagen eruit als iets dat leek op brandende, vurige kolen; ze zagen eruit als fakkels. Er ging vuur heen en weer tussen de wezens, een gloeiend vuur, en er kwam bliksem uit het vuur. 14 En zo flitsten de wezens heen en weer, als bliksemstralen.

Psalm 99: 1 & 2
1. God is Koning, Hij
sticht zijn heerschappij.
Volken, hoort zijn stem.
Buigt u, beeft voor Hem,
die met macht gekroond
op de cherubs troont.
Aarde, word bewogen,
beef voor zijn vermogen.

2. God, die recht gebood,
is in Sion groot;
van zijn troon belacht
Hij der volken macht.
Hoog en zeer geducht,
heilig en doorlucht
is uw naam, o Here;
laten zij die eren!

2e Bijbellezing Ezechiël 1: 15 t/m 2: 4 (NBV21)
15 Opnieuw keek ik naar de wezens, en ik zag bij elk van de vier een wiel op de grond staan, aan de voorkant. 16 De wielen glansden alsof ze gemaakt waren van turkoois en ze hadden alle vier dezelfde vorm: ze leken op een wiel midden in een ander wiel. 17 Ze gingen met de vier wezens mee, zonder om te draaien. 18 Hun velgen waren angstwekkend hoog, en elk van de vier velgen was afgezet met ogen. 19 Als de wezens zich bewogen, gingen de wielen mee, en als de wezens opstegen van de aarde, stegen ook de wielen op. 20 Waarheen Gods geest hen leidde, daarheen gingen de wezens: zij volgden de geest en de wielen stegen met hen op, want een en dezelfde geest leidde de wezens en de wielen. 21 Als de wezens zich bewogen, bewogen ook de wielen, en als ze stilstonden, stonden ook de wielen stil. Als ze van de aarde opstegen, stegen ook de wielen op; een en dezelfde geest leidde immers de wezens en de wielen.
22 En boven de hoofden van de wezens was een soort koepel, glinsterend als ijs, angstwekkend – deze koepel strekte zich hoog boven hun hoofden uit. 23 Daaronder stonden ze. Hun uitgespreide vleugels raakten die van de wezens aan weerszijden en hun twee andere vleugels waren toegevouwen en bedekten hun lichamen. 24 Toen hoorde ik het geluid van hun vleugels. Het klonk als het gebulder van de zee, als de stem van de Ontzagwekkende, als het rumoer van een mensenmassa, als een dreunend leger. Wanneer ze stilstonden vouwden ze hun vleugels weer toe. 25 Toen hoorde ik ook een geluid boven de koepel boven hun hoofd – maar zijzelf stonden stil met toegevouwen vleugels. 26 En boven de koepel zag ik iets dat leek op een troon van saffier, en daarboven, op die troon, zag ik een gedaante als van een mens. 27 Vanaf wat zijn heupen leken te zijn naar boven toe zag ik iets dat glansde als wit goud en door iets als vuur omgeven was, en naar beneden toe zag ik iets als vuur, omgeven door een stralende gloed. 28 Zoals de boog die bij regen verschijnt in de wolken, zo zag die gloed eruit.
Dit was de aanblik van de stralende verschijning van de HEER, en toen ik dit alles zag, wierp ik me voorover op de grond. Ik hoorde een stem, 2-1die tegen mij zei: ‘Mensenkind, kom overeind, dan zal Ik met je spreken.’ 2 Terwijl deze woorden klonken, voer er een geest in mij die me weer overeind deed komen, en ik hoorde dat er opnieuw tegen mij werd gesproken: 3 ‘Mensenkind, Ik stuur jou naar de Israëlieten, naar dat weerspannige volk dat tegen Mij in opstand is gekomen. Tot op de dag van vandaag verzetten ze zich tegen Mij, zoals ook hun voorouders hebben gedaan. 4 Naar dat volk, dat zo halsstarrig en eigenzinnig is, stuur Ik jou. Je moet tegen hen zeggen: “Dit zegt God, de HEER ...”

Psalm 99: 3 & 4
3. Niet op bruut geweld
hebt G’ uw macht gesteld.
Gij o Koning, zegt;
Ik bemin het recht.
Onder uw beleid
heerst gerechtigheid;
uw verbond heeft leven
aan uw volk gegeven.

4. Maakt Hem altezaam
groot, verheft zijn naam.
Buigt u voor Hem neer,
knielt voor Israëls Heer.
Aan zijn voeten reik
Hem uw huldeblijk.
Heilig, hoog in ere
is de Heer der heren.

Verkondiging thema

Hemelhoog 265: 1 & 2
(‘El Shaddai’ = God de Almachtige & ‘
El Elyon na Adonai’ = God de allerhoogste Heer)

El Shaddai, El Shaddai, El Elyon na Adonai,
door de eeuwen blijft Uw naam
als een sterke rots bestaan,
El Shaddai, El Shaddai, Erkamka na Adonai,
en die naam verhogen wij, El Shaddai

1. Voor Uw volk in de woestijn
wilde U een herder zijn,
door de sterkte van Uw hand
week de zee terug voor ’t land;
bij de armen in hun nood
kwam U als het levend brood,
en door Uw grootheid werd Uw volk bevrijdt.

2. Jarenlang had men vertrouwd
dat de Christus komen zou,
maar toen Hij op aarde kwam
was Hij kwetsbaar als een lam.
Niemand had op dat moment
Hem als Zoon van God herkend,
en in ’t lijden van die nacht
is Uw grootste werk volbracht…

El Shaddai, El Shaddai, El Elyon na Adonai,
door de eeuwen blijft Uw naam
als een sterke rots bestaan,
El Shaddai, El Shaddai, Erkamka na Adonai,
en die naam verhogen wij, El Shaddai

Kinderen komen terug in de kerk

Dank- en voorbeden

Collecte:
1. Diaconie: Noodhulp in Venezuela
2. Eredienst
3. Kerkrentmeesters


(klik op de afbeelding om te geven via de kerk-app óf via iDEAL/Wero)

Slotlied Hemelhoog 654 (staande)
1. O, Heer mijn God,
wanneer ik in verwond’ring
de wereld zie
die U hebt voortgebracht.
Het sterrenlicht,
het rollen van de donder,
heel dit heelal,
dat vol is van uw kracht.

Dan zingt mijn ziel
tot U, o Heer mijn God:
‘Hoe groot zijt Gij,
hoe groot zijt Gij!’
Dan zingt mijn ziel
tot U, o Heer mijn God:
‘Hoe groot zijt Gij,
hoe groot zijt Gij!’

2. Als ik bedenk,
hoe Jezus zonder klagen
tot in de dood
gegaan is als een lam.
Sta ik verbaasd,
dat Hij mijn schuld wou dragen
en aan het kruis
mijn zonde op zich nam.

Dan zingt mijn ziel
tot U, o Heer mijn God:
‘Hoe groot zijt Gij,
hoe groot zijt Gij!’
Dan zingt mijn ziel
tot U, o Heer mijn God:
‘Hoe groot zijt Gij,
hoe groot zijt Gij!’

3. Als Christus komt
met majesteit en luister,
brengt Hij mij thuis,
hoe heerlijk zal dat zijn.
Dan zal ik vol
aanbidding voor Hem buigen
en zingt mijn ziel:
‘o Heer, hoe groot zijt Gij!’

Dan zingt mijn ziel
tot U, o Heer mijn God:
‘Hoe groot zijt Gij,
hoe groot zijt Gij!’
Dan zingt mijn ziel
tot U, o Heer mijn God:
‘Hoe groot zijt Gij,
hoe groot zijt Gij

Zegen | “Amen, amen, amen”